Nederlands | Français Belgium

Multi-inrichterpensioenstelsel en de eis van paritair beheer: een evenwichtsoefening

Newsletter Update@Work | nr 3 | 2017

Historiek
Een pensioenstelsel waarbij verschillende werkgevers samen als inrichter optreden is niet nieuw. Toch werd hiervoor pas op 15 mei 2014 (B.S. 19 juni 2014) een wettelijk kader voorzien in de Wet Aanvullende Pensioenen (WAP). Dit wettelijk kader kreeg de naam multi-inrichterpensioenstelsel (MIP). Hier vindt u een gedetailleerde bespreking van deze wet.

Het moet gaan om een identiek pensioenstelsel ingevoerd door meerdere inrichters waarvan de uitvoering wordt toevertrouwd aan dezelfde pensioeninstelling(en). Bovendien moet het pensioenreglement een aantal verplichte vermeldingen bevatten en het feit of er al dan niet een overnameovereenkomst bestaat (die de opheffing van de gevolgen van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst regelt).

Belangrijk om te weten is wel dat volgens de voormelde wet van 15 mei 2014 de formele aanpassingen van de bestaande pensioenreglementen en –overeenkomsten uiterlijk op 1 juli 2017 konden/moesten gedaan worden.

Praktische gevolgen
Bij de uitvoering van de aanpassingen de voorbije maanden bleek dat het formaliseren van een dergelijk multi-inrichterpensioenstelsel (MIP) een belangrijk gevolg kan hebben/heeft op het vlak van toezicht op het pensioenstelsel.

Strikt genomen vereist het artikel 41 §2 van de WAP immers dat, wanneer een pensioenstelsel dat gemeenschappelijk is aan verschillende ondernemingen wordt toevertrouwd aan een pensioeninstelling die niet op paritaire wijze wordt beheerd, er noodzakelijk een toezichtcomité moet worden opgericht.

Met andere woorden: wanneer de verzekeraar of het pensioenfonds dat het pensioenplan uitvoert niet paritair wordt beheerd (wat bij verzekeraars nooit het geval is), zullen de inrichters (werkgevers) bij de start van het MIP een toezichtcomité moeten oprichten indien het pensioenplan betrekking heeft op verschillende ondernemingen.

Samenstelling en bevoegdheden
Dit toezichtcomité bestaat voor de helft uit vertegenwoordigers van het personeel aan wie de toezegging werd gedaan, en voor de andere helft uit werkgeversvertegenwoordigers. De vertegenwoordigers van het personeel worden in onderling overleg door de werknemersafvaardigingen van de verschillende inrichters aangewezen. Voor de toezichtcomitéleden werd geen minimum- of maximumaantal bepaald.

De bevoegdheden van dergelijk toezichtcomité zijn redelijk beperkt, zoals beschreven in de WAP (artikel 41): “Het toezichtcomité ziet toe op de uitvoering van de pensioentoezegging en wordt in het bezit gesteld van de verklaring inzake de beleggingsbeginselen en van het jaarlijks beheersverslag vóór de mededeling ervan aan de inrichters.”

Wat nu?
Ook al zijn de bevoegdheden van het toezichtcomité beperkt, men kan niet ontkennen dat de noodzaak voor de oprichting ervan een administratieve verzwaring betekent.

De regelgeving omtrent de oprichting van een toezichtcomité is niet nieuw, en bestond al van bij de invoering van de WAP. In het verleden werd deze regelgeving door de pensioeninstellingen (verzekeraars) niet al te strikt toegepast. Recent werd door een verzekeraar echter terug de aandacht gevestigd op de principiële toepasselijkheid van deze regeling.

De vraag stelt zich nu in hoeverre dit na meer dan 15 jaar onverschilligheid in de sector een belangrijk aandachtspunt wordt bij de (andere) verzekeraars. We kunnen ons inbeelden dat de controle-instantie in zijn controles hiervan geen speerpunt zal maken.