Netherlands

Loading

Pensioenstelsel 2.1: Een verfijnd voorstel voor een nóg beter alternatief pensioenstelsel

Door Frank Driessen, Chief Commercial Officer bij Aon

Hoeveel lof het Nederlands pensioenstelsel internationaal ook krijgt, het kan nog stukken beter. Daarom presenteerden wij eind 2016 een voorstel voor een alternatief stelsel: Pensioenstelsel 2.0. In dat stelsel krijgen pensioengerechtigden (vrijwel) geen korting op hun uitkering en worden hun pensioenen sneller geïndexeerd. Ook gaat het voorstel uit van een beperktere leeftijdssolidariteit dan in het huidige stelsel.

Het stemde ons tevreden dat Pensioenstelsel 2.0 veel losmaakte in de markt en tot vele gesprekken leidde. Inmiddels hebben we ons voorstel verder verfijnd met als resultaat Pensioenstelsel 2.1. Dit voorstel is een nog beter alternatief voor de SER-varianten I-B en IV-C. Dat komt mede doordat de invaar- en overgangsproblematiek erin volledig ontbreekt.

Vereenvoudiging toeslagverlening niet-pensioengerechtigden
Een van de pijnpunten in het huidige stelsel die wij in 2.0 aanpakten, is de verregaande leeftijdssolidariteit: jongeren betalen nu teveel mee aan de pensioenopbouw van ouderen. Daarom koppelden wij de indexatie aan de leeftijd ten tijde van de pensioenopbouw. Zo kan pensioen dat op jonge leeftijd is opgebouwd sneller worden geïndexeerd.

Het lastige is dat deze methodiek moeilijk uitvoerbaar is en lastig uit te leggen aan deelnemers. Voor stelsel 2.1 hebben we twee varianten uitgewerkt waarbij de reguliere toeslag leeftijdsafhankelijk is. Voor de jongste (gewezen) deelnemers geldt een ambitie van 125% van de prijsinflatie, voor de oudsten 75% respectievelijk 90%.

Het verschil tussen de varianten zit in de wijze van toeslagverlening. In de eerste variant bepaalt de leeftijd in het jaar van opbouw de hoogte van de toeslagverlening. De tweede variant sluit meer aan bij ons huidige pensioenstelsel: de toeslagverlening is afhankelijk van de leeftijd van de (gewezen) deelnemer op het moment dat hij zijn pensioen toegekend krijgt. Hoewel dat laatste makkelijker uitvoerbaar en te communiceren is, gaat onze voorkeur uit naar de eerste variant. Die is technisch gezien eerlijker.

De jongste groep profiteert in Pensioenstelsel 2.1 iets minder dan in Pensioenstelsel 2.0. Maar gelet op de huidige rentestand wordt het voordeel voor jongeren in Pensioenstelsel 2.0 wellicht aan de hoge kant ervaren. Door een groter toeslagambitie tussen jongeren en ouderen levert Pensioenstelsel 2.1 desgewenst vergelijkbare uitkomsten op als Pensioenstelsel 2.0. Daarnaast levert Pensioenstelsel 2.1 voor de meeste leeftijdscategorieën kleinere uitschieters op.

Overgang bij pensionering
Net als in Pensioenstelsel 2.0 gaat de meeste aandacht in 2.1 uit naar de overgang op de pensioendatum vanuit de kring van niet-pensioengerechtigden naar de kring van pensioengerechtigden. Daarvoor moet het pensioen op de pensioendatum worden gecorrigeerd. Dat zorgt voor onzekerheid voor de (gewezen) deelnemers.

In Pensioenstelsel 2.1 dragen we een oplossing aan: vanaf 60-jarige leeftijd vormen we een zogeheten ‘egalisatiereserve’ waardoor de dekkingsgraadverschillen tussen beide kringen jaarlijks worden verrekend. Bij pensionering kan een deel van de egalisatiereserve worden ingezet om een korting bij de overgang naar de andere kring te beperken of te voorkomen. Verhogingen worden pas toegekend als de dekkingsgraad voor niet-pensioengerechtigden boven 130% uitkomt. Zo worden de pensioenresultaten stabieler. De solidariteit tussen generaties is beperkt omdat we alleen voor niet-pensioengerechtigden van een ander beleggingsbeleid voor 60-plussers uitgaan.

Wij zijn ervan overtuigd dat we met Pensioenstelsel 2.1 een nóg beter alternatief voor de voorliggende SER-varianten in handen hebben. Wat vindt u? We zien uit naar een discussie met het pensioenveld en de politiek.

De voordelen van Pensioenstelsel 2.1:

  1. Beperking van de solidariteit door het opsplitsen van niet-pensioengerechtigden en pensioengerechtigden met voor elke kring een beter passend beleggingsbeleid.
  2. Kleine kans op (beperkte) pensioenkortingen van pensioengerechtigden.
  3. Eerdere toeslagverlening voor de pensioengerechtigden.
  4. Beperking van de leeftijdssolidariteit door een leeftijdsafhankelijke toeslagverlening met een hogere ambitie voor jongeren dan voor ouderen.