Netherlands

Loading

Column Fine Art Magazine Tableau | November 2015

BELANG

Maerten Soolmans en Oopje Coppit, Rembrandt, 1634

‘OF HOE en BIJ WIE’ Nee, wees gerust! Dit is niet de zoveelste reconstructie van hoe het is misgelopen bij de repatriëring van het echtpaar Soolmans-Coppit. Want daar is al genoeg over geschreven. Deze openingsoneliner gebruik ik regelmatig om uit te leggen wat een makelaar in kunstverzekeringen doet.
De eerste stap is samen met de klant vaststellen of het wel zinvol is om te verzekeren. Om welk en wiens belang gaat het? Welke risico’s zijn er? Zijn er mogelijkheden om die te voorkomen of te beperken? Hoeveel risico wil de klant zelf dragen? En hoeveel financieel nadeel kan hij lijden?


Vervolgens overwegen we samen hoe de verzekering eruit komt te zien. We bepalen welke risico’s onder de dekking moeten vallen; alle mogelijke gevaren (all risks) of alleen calamiteiten? Ook wegen we af of een dekking nodig is voor alle vormen van schade en alle nadelen, ongeacht de hoogte van de schade. Soms verzekeren we uitsluitend de herstelkosten en dus niet het verlies. Tot slot stellen we vast welke verzekeraar het meest geschikt is om het risico over te nemen.

Naar aanleiding van de Nederlandse/Franse aankoop van ‘het stel’ heeft Benno Tempel, directeur van het Gemeentemuseum Den Haag, onlangs in de media ervoor gepleit dat musea stoppen met het verzekeren van kunst. Het Rijksmuseum en het Louvre zouden een voorbeeld moeten stellen. Tempel voert daarbij aan dat de premies torenhoog zijn, er nooit wat gebeurt en werken toch onvervangbaar zijn. Bij die overwegingen plaats ik enkele kanttekeningen.

De verzekeringskosten voor collecties of tentoonstellingen kunnen substantieel zijn. Ondanks de door de jaren heen dalende premietarieven in de internationale verzekeringswereld. De oorzaak van hoge premiebedragen ligt simpelweg in de buitengewoon hoge waarden van kunstwerken. En hoe hoger de waarde, hoe hoger de premie. Daar ligt een duidelijke uitdaging voor de internationale museumwereld: zelfbeheersing bij de ‘pricing’ van de werken. Vooral in het bruikleenverkeer.

Een andere voor de hand liggende mogelijkheid om de premie te verlagen, is het niet meeverzekeren van de waardevermindering na restauratie van een beschadiging. Een kunstverzekering dekt dat. Maar als een werk waarschijnlijk toch nooit verkocht wordt, is het de vraag of het wel nodig is deze vorm van nadeel te verzekeren.

De stelling dat er nooit wat gebeurt, kan helaas door diverse museumdirecteuren in binnen- en buitenland worden ontkracht. Natuurlijk is een verloren gegaan werk in letterlijke zin onvervangbaar. Maar met een verzekeringsuitkering is het wel mogelijk de collectie weer te verrijken met een ander kunstwerk. En dan heb ik het nog niet gehad over de indemniteit – het gedeeltelijk door de Nederlandse staat dragen van het risico bij tentoonstellingen – die alleen wordt verleend in combinatie met een verzekering.

Hoe kunnen musea hun belangen beschermen tegen beheersbare kosten? En hoe kunnen zij de continuïteit van hun kerntaken (beheren en tentoonstellen) waarborgen? Dat zijn de uitdagingen voor musea. En dat vraagt om meer nadenken over de ‘hoe-vraag’ van verzekeren, dan het er per definitie van afzien.

En terwijl we afwachten waar en wanneer we ons – al dan niet verzekerde – cultureel erfgoed, de Rembrandts, kunnen verwelkomen, biedt de aanstaande PAN Amsterdam van 22 tot en met 29 november alle gelegenheid om kunst, antiek en design te bekijken en kopen. Wel opletten of u de enige koper bent…

Ik zie u daar graag! Kunnen we het nog eens hebben over het belang van verzekeren.

Marcel Schreuder
Registermakelaar in Kunstverzekeringen
Aon Artscope, info@artscope.nl