Netherlands

Loading

Pensioenthermometer

Begrippenlijst

Dekkingsgraad
Voor pensioenfondsen is de hoogte van de dekkingsgraad een maatstaf voor de financiële positie van het fonds. De dekkingsgraad is een percentage dat de verhouding uitdrukt tussen het aanwezige vermogen van het pensioenfonds, en de contante waarde van alle opgebouwde pensioenaanspraken. Bij een dekkingsgraad van 100% is er exact genoeg om de opgebouwde pensioenverplichtingen na te komen. Wel zit men dan in een situatie van dekkingstekort en reservetekort.

Sinds 2015 rapporteren pensioenfondsen ook de beleidsdekkingsgraad. De beleidsdekkingsgraad is het gemiddelde van de dekkingsgraad over de afgelopen twaalf maanden.

Dekkingstekort
Op grond van de Pensioenwet is er sprake van dekkingstekort als de dekkingsgraad minder bedraagt dan circa 105%. Als een pensioenfonds zes meetmomenten achter elkaar (ongeveer vijf jaar) een dekkingstekort heeft, zal het pensioenfonds de pensioenaanspraken en –rechten moeten korten.

Reservetekort
Pensioenfondsen moeten extra vermogen aanhouden om bepaalde risico’s op te vangen. Te denken valt aan het risico van waardedaling van de aandelen en andere beleggingen of een daling van de rente. Ook loopt een pensioenfonds het risico dat mensen langer leven dan verwacht. Voor al deze risico’s heeft De Nederlandsche Bank (DNB) minimale eisen gesteld aan het extra aan te houden vermogen. Dit wordt ook wel de benodigde dekkingsgraad genoemd.

In geval van een reservetekort moet een pensioenfonds binnen drie maanden een plan bij DNB indienen om het reservetekort op te heffen. Dit plan dient door DNB goedgekeurd te worden. Een pensioenfonds heeft maximaal tien jaar de tijd om weer naar de benodigde dekkingsgraad toe te groeien. Bijzonder aan dit herstelplan is dat elk jaar opnieuw de gehele herstelperiode geldt. Het herstelplan zal nooit expireren, wel zal het jaarlijks bijgesteld moeten worden naar de dan geldende situatie van het fonds en de markt. Dat het herstelplan nooit expireert wil niet zeggen dat het pensioenfonds nooit uit reservetekort kan komen.

Als een pensioenfonds in het herstelplan niet kan aantonen dat het reservetekort in de looptijd van het herstelplan ingelopen kan worden, zal het de pensioenen moeten korten.

Herstelvermogen
Het herstelvermogen van het pensioenfonds kan worden gedefinieerd als de mate waarin het pensioenfonds in staat is om uit een dekkingstekort dan wel reservetekort te komen, rekening houdend met de beschikbare sturingsmiddelen. De sturingsmiddelen van een pensioenfonds bestaan in principe uit drie elementen: rendement, extra premiebaten en het niet of minder indexeren van opgebouwde verplichtingen. Gegeven de gemiddelde beleggingsportefeuille, de volatiliteit van de financiële markten en de regels ten aanzien van de maximaal te hanteren toekomstige rendementen van DNB, kan het herstelvermogen in kaart worden gebracht.

Crisisplan
Sinds 1 mei 2012 beschikken over een financieel crisisplan. In het financieel crisisplan maakt het bestuur vooraf, ook als nog geen sprake is van een tekort, duidelijk hoe het om zal gaan met een crisissituatie van het fonds. Daarnaast is een belangrijk verschil met het herstelplan dat het bestuur zelf een definitie geeft van een crisissituatie, terwijl in een herstelplan wettelijke definities bepalend zijn.

Haalbaarheidstoets
De meeste pensioenfondsen hebben de ambitie om de pensioenen aan te passen aan de inflatie. Met de haalbaarheidstoets kan het pensioenfonds beoordelen of het deze ambitie met voldoende zekerheid kan waarmaken. De wijze waarop de haalbaarheidstoets uitgevoerd moet worden, is geheel voorgeschreven door de DNB. DNB publiceert tevens de beleggingsrendementen en inflatie- en renteverwachting waarmee gerekend moet worden. Als het fonds niet slaagt voor de toets, moet het bestuur in overleg treden met de betrokken sociale partijen.