Netherlands

Levensloopregeling

Op 1 januari 2006 is de levensloopregeling geïntroduceerd. In deze, individuele regeling kan iedereen zelf bepalen om wel of niet deel te nemen. U kunt zelf bepalen of u  meedoet, voor hoeveel en bij welke financiële instelling. Levensloopsparen kunt u voor allerlei vormen van vrije tijd zoals zorgverlof, ouderschapsverlof, studieverlof of eerder stoppen met werken. De werkgever is verplicht om aan de levensloopregeling mee te werken door salaris in te houden en over te boeken naar de levenslooprekening.

Hieronder een korte uitleg van de levensloopregeling. Een collectieve regeling is niet verplicht, maar biedt werkgevers en hun werknemers voordelen. Aon kan u adviseren bij een voor u passende oplossing.

Levensloopsparen in de praktijk

Bij levensloopsparen geldt één voorwaarde: wie kiest voor levensloopsparen mag niet deelnemen aan de spaarloonregeling en andersom. Een werknemer die wil deelnemen aan de levensloopregeling, vraagt de werkgever een bepaald deel van het bruto loon in te houden en dat te storten in een levensloopverzekering of op een geblokkeerde levenslooprekening. De werkgever is verplicht mee te werken aan de financiële kant van de levensloopregeling. De werknemer mag het verzoek tot deelname één keer per jaar doen. Hij mag echter wel altijd vragen om de stortingen en de inhoudingen te beëindigen of de hoogte ervan tussentijds aan te passen.

Levensloopsparen: Hoe zit het met de fiscus?

Levensloopsparen gebeurt over het brutoloon. Over het gespaarde bedrag is dus geen loonheffing verschuldigd, net zoals momenteel met spaarloon het geval is. Er moet pas belasting worden betaald als het levenslooptegoed wordt opgenomen. Over de inleg zijn wel premies werknemersverzekeringen verschuldigd. De opname van het tegoed is daardoor premievrij.

Maximaal 12 procent per jaar in uw levensloopregeling

Het levenslooptegoed mag alleen bestaan uit het ingehouden loon en het daarmee gerealiseerde rendement. Werknemers mogen jaarlijks maximaal 12 procent sparen van het brutoloon dat in dat jaar wordt verdiend. Ook is het mogelijk om een eventuele afkoopsom pre-pensioen in te brengen in de levensloopregeling. De begrenzing van 12 procent komt dan te vervallen. In totaal mag maximaal 210 procent van het bruto jaarsalaris bij elkaar worden gespaard. Is het maximum bereikt (door sparen, rente en beleggingsresultaten), dan mag er niet meer worden ingelegd. Is het levenslooptegoed geheel of gedeeltelijk gebruikt, dan kan de werknemer opnieuw sparen tot het maximum. Als werkgever bent u er verantwoordelijk voor dat werknemers niet meer sparen dan wettelijk is toegestaan. Wel mag het tegoed blijven groeien door rente of door slim beleggen. In het geval dat een werknemer meer of minder gaat werken en meer of minder salaris krijgt, blijft de 12 procent-norm van kracht. Wanneer deze norm wordt overschreden, moet dit hetzelfde jaar worden hersteld.

Oudere werknemers mogen meer levensloopsparen

Voor oudere werknemers die minder gaan werken gelden bovenstaande regels niet. Werknemers tussen 50 en 55 jaar kunnen onmogelijk 210 procent van hun jaarsalaris bij elkaar sparen wanneer zij jaarlijks maximaal 12 procent van hun salaris mogen inleggen. Oudere werknemers mogen daarom onbeperkt levensloopsparen, met een maximum van 210 procent van het jaarsalaris.
Meer weten? Expand
* Verplicht veld



  Email Error




Formulier sluiten

Contact