Netherlands

Wat betaalt u in 2019 voor uw zorgverzekering?

 

Jaarlijks stelt het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) de hoogte van een aantal financieringsfactoren rond de Zorgverzekeringswet vast. Steevast leidt dit tot aanpassingen in de nominale premie, de inkomensafhankelijke bijdragen, het eigen risico en de eigen bijdragen. Wat kunt u voor 2019 verwachten?

De nominale premie
VWS maakt op Prinsjesdag altijd een schatting bekend van de gemiddelde nominale premie voor het volgende jaar. Voor 2019 heeft VWS ingeschat dat de gemiddelde nominale premie EUR 1.432 is. Dat zou een premieverhoging van EUR 124 op jaarbasis betekenen ten opzichte van 2018, een forse verhoging dus.

VWS maakt op Prinsjesdag ook de zogenaamde “rekenpremie” bekend. Dit is het bedrag wat volgens de schatting van de overheid voor een zorgverzekeraar nodig is om gemiddeld de zorgkosten te kunnen betalen. Deze rekenpremie (EUR 1.380 voor 2019) is het vertrekpunt voor alle verzekeraars om hun nominale premie voor het volgende jaar te berekenen. Voor het bepalen van de uiteindelijke nominale premie bepalen zorgverzekeraars of zij meer of minder zorgkosten verwachten te hebben op basis van hun verzekerdenpopulatie en worden bedrijfskosten meegenomen.

DSW is de zorgverzekeraar die altijd als eerste bekend maakt wat de nominale premie voor het volgende jaar wordt. In vereenvoudigde vorm ziet hun premieberekening er als volgt uit:

Rekenpremie 2019 EUR 1.380
Lagere zorgkosten dan de overheid inschat: EUR 62 -/-
Bedrijfskosten EUR 72
Inzet reserves voor premiedemping EUR 58 -/-
Overige opslagen (o.a.korting eigen risico, oninbare premie) EUR 12
Daadwerkelijke nominale premie in 2019 EUR 1.344
 

Opvallend hierbij is dat DSW de zorgkosten veel lager inschat dan VWS dat doet. Daarom komt de nominale premie voor 2019 een stuk lager uit dan VWS gemiddeld inschat (EUR 1.344 tegenover EUR 1.432). Ten opzichte van 2018 verhoogt DSW de premie met EUR 54 per jaar en ook dat is een stuk lager dan de schatting van VWS (verhoging van EUR 124 per jaar).

Inzet reserves
Een belangrijke factor voor de hoogte van de nominale premie is de vraag hoeveel solvabiliteitsreserves zorgverzekeraars nog kunnen inzetten om de premie te dempen. De afgelopen jaren hebben zorgverzekeraars hun oversolvabiliteit afgebouwd ten gunste van de hoogte van de nominale premie. DSW blijkt nog solvabiliteit over te hebben: per betalende verzekerde wordt in 2019 EUR 58 ingezet vanuit de solvabiliteit om de premie lager te maken.

Het is de vraag in hoeverre zorgverzekeraars dat over de hele linie nog kunnen en willen doen. De gemiddelde inzet van solvabiliteit in 2018 was ongeveer EUR 48 per betalende verzekerde per jaar, tegen nog EUR 111 in 2017. De inzet van oversolvabiliteit neemt duidelijk af. Het is de vraag of alle zorgverzekeraars de premie in 2019 nog op deze manier kunnen beïnvloeden zonder door de ondergrens van de solvabiliteitseisen te zakken.

Afgelopen dagen werd bekend dat zorgverzekeraars gemiddeld een premieverhoging van zo’n 7,5% doorvoeren. Dit betekent dat de inschatting van VWS, waar werd uitgegaan van een premiestijging van bijna 9,5% te hoog is. De premie-aanpassing van de aanvullende pakketten is hierin niet meegenomen.

Kortingen en aanvullende verzekeringen
Zorgverzekeraars mogen collectiviteiten korting geven op de premie van de Zorgverzekeringswet (Basisverzekering). De maximale korting bedraagt nu nog 10%, maar wordt vrijwel zeker per 2020 afgebouwd naar maximaal 5%. Zie ook het artikel over zorginhoudelijk laden. Voor mensen die via een collectief zorgcontract verzekerd zijn, heeft dit mogelijk gevolgen, omdat per 2020 de korting lager wordt.

Daarnaast is er een trend dat aanvullende verzekeringen worden beperkt of dat de premie omhoog gaat. Voor veel zorgverzekeraars waren aanvullende pakketten jarenlang een echte melkkoe. Maar de winsten zijn afgenomen en er wordt door verschillende zorgverzekeraars zelfs verlies geleden op aanvullende pakketten. Vaak raken verzekeraars door verliezen in paniek en nemen zij kortetermijnmaatregelen, zoals het beperken van de dekking, het verhogen van de premie, het verlagen van kortingen voor collectiviteiten en het invoeren van medische selectie voordat iemand geaccepteerd wordt voor een aanvullend pakket.

Het is de vraag of aanvullende verzekeringen op deze manier nog lang houdbaar zijn. Aon vindt dat verzekeraars meer zouden moeten innoveren met aanvullende pakketten, in plaats van achteraf te reageren. Lees voor meer informatie over dit onderwerp ook onze blog: ‘Hebben aanvullende zorgverzekeringen nog toekomst?’

De inkomensafhankelijke bijdrage
Werkgevers, zzp’ers en gepensioneerden betalen samen de inkomensafhankelijke bijdrage. Er gaat maar liefst bijna EUR 51 miljard om in de Zorgverzekeringswet. De helft (!) wordt vanuit de inkomensafhankelijke bijdrage gefinancierd. De inschatting van de gemiddelde nominale premie speelt hier een grote rol. Als VWS die premie te laag inschat, valt de inkomensafhankelijke premie ook te laag uit. Het jaar daarop moet de inkomensafhankelijke bijdrage dan worden gecorrigeerd om toch de verhouding op 50% te houden.

Bijdrage stijgt in 2019
Voor 2018 heeft het ministerie van VWS het percentage van de inkomensafhankelijke bijdrage te hoog gesteld, gebaseerd op de te hoge inschatting van de nominale premie. Omdat de nominale premie en de inkomensafhankelijke bijdrage altijd in de verhouding 50/50 worden geheven, zou het in de lijn der verwachting liggen dat de inkomensafhankelijke bijdrage zou kunnen dalen. Omdat voor 2019 echter een forse toename van de nominale premie wordt voorzien door VWS, betekent dat ook dat de inkomensafhankelijke bijdrage licht stijgt. Voor 2019 stijgt het reguliere tarief voor de inkomensafhankelijke bijdrage daarom met 0,05% naar 6,95% van het bijdrageplichtig inkomen. Voor zelfstandigen en gepensioneerden gaat de inkomensafhankelijke bijdrage ook omhoog, van 5,65% naar 5,70%.

Regel een aantrekkelijke collectiviteit
Hoewel u als werkgever dus fors meebetaalt aan de financiering van de Zorgverzekeringswet, zijn uw werknemers vrij om te bepalen waar zij zich voor zorg verzekeren. Het advies van Aon: regel een aantrekkelijke collectiviteit. De collectiviteitskorting staat echter wel onder druk: de minister is van plan per 2020 de maximale collectiviteitskorting te verlagen van 10% naar 5%. Daarom is het des te meer van belang dat u een zorgcollectief heeft die u als werkgever daadwerkelijk kan ondersteunen bij uw gezondheidsbeleid. Aon helpt u hier graag bij.1

1 Zie ook het artikel < Zorginhoudelijk laden collectiviteiten> voor meer informatie.

Het verplichte eigen risico
Het kabinet Rutte III heeft besloten dat de hoogte van het verplichte eigen risico gedurende de kabinetsperiode wordt bevroren op EUR 385. Vorig jaar is dit gerealiseerd met een weinig verheffende parlementaire spoedprocedure. Inmiddels is de Zorgverzekeringswet, die aangeeft dat de hoogte van het verplichte eigen risico geïndexeerd wordt aan de hand van de zorgkosten, op dit punt aangepast. Zowel de Tweede als de Eerste Kamer hebben ermee ingestemd dat het verplichte eigen risico tot en met 2021 EUR 385 blijft. Dit is vanaf 2016 het bedrag van het verplichte eigen risico.

Vrijwillig eigen risico
Naast het verplichte eigen risico kunnen verzekerden voor een vrijwillig eigen risico kiezen. Erg populair is deze keuze niet: slechts 12,6% van de verzekerden van 18 jaar en ouder koos in 2018 voor een vrijwillig eigen risico. Dit percentage stijgt al een paar jaar licht. Van deze groep verzekerden koos 73,7% voor het maximale vrijwillige eigen risico van EUR 500. Uitgaande van dezelfde cijfers betalen deze verzekerden in 2019 de eerste EUR 885 aan zorgkosten zelf.

Spaargeld of besparen?
Met een hoog vrijwillig eigen risico is niets mis als de verzekerde geld achter de hand heeft. Er is wel reden tot zorg als uw werknemer alleen op zijn premie wil besparen. Als hij of zij toch zorgkosten maakt en het bedrag vervolgens niet kan betalen, kunt u daar als werkgever ook last van krijgen. Het is verstandig hier aandacht voor te hebben binnen uw bedrijf.

De eigen bijdragen
De Zorgverzekeringswet kent eigen bijdragen en maximale vergoedingen voor haarprothesen, lenzen en brillenglazen, orthopedische schoenen, kraamzorg en ziekenvervoer en hulpmiddelen. Deze eigen bijdragen worden jaarlijks aangepast op basis van indexaties en opgenomen in de Regeling zorgverzekering.

Gemiddelde zorgkosten per volwassene
Naast de Zorgverzekeringswet maakt ook de Wet langdurige zorg (Wlz) deel uit van het zorgstelsel in Nederland. De inkomsten voor deze wet worden via de inkomstenbelasting verkregen.

Jaarlijks worden de lasten per volwassene aan zorg (zowel Zorgverzekeringswet als Wlz) berekend. VWS verwacht dat de lasten per volwassene in 2019 met 4,8% toenemen. In 2018 ligt het bedrag aan zorgkosten op EUR 5.239 per volwassene. In 2019 wordt uitgegaan van EUR 5.490 per volwassene.

In het volgende overzicht, overgenomen uit de begroting van het ministerie van VWS, is te zien waar dit bedrag uit opgebouwd is: