Netherlands

Wet Toekomst Pensioenen is grote stap vooruit voor pensioensector

 

- Solidariteitsreserve/risicodelingsreserve ook mogelijk voor flexibel contract
- Mogelijk meer beleggingsrisico te nemen voorsorterend op nieuw stelsel: toets risicohouding
- Eerder indexeren volgens Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB): lastige afweging

Aon is verheugd dat op 30 maart 2022 een mijlpaal is bereikt met de indiening van het wetsvoorstel met de uitwerking van het Pensioenakkoord. Dit wetsvoorstel is tijdens een persconferentie toegelicht en sluit grotendeels aan bij het consultatiedocument; de wijzigingen zijn relatief beperkt. Op enkele punten wordt naar aanleiding van de consultatie afgeweken. In algemene zin denken wij dat met deze aanscherpingen verbeteringen bereikt worden.

Nederland staat aan de vooravond van een enorme transitie; de sector zal hard aan de slag moeten om deze transitie tijdig vorm te geven. De beoogde inwerkingtreding van 1 januari 2023 zal voor veel partijen een uitdaging zijn. In het wetsvoorstel zien wij een nog grotere rol voor de sociale partners. Dit brengt ook een verantwoordelijkheid met zich mee.

Leeftijdsonafhankelijke beschikbare premieregelingen worden het uitgangspunt, dus voor iedereen een gelijk premiepercentage. Voor pensioenfondsen komt een keuze tussen het solidair contract en het flexibel contract. Deze contracten vinden wij eerlijker en transparanter. Lees hieronder onze uitgebreide reactie op de verschillende onderdelen van het wetsvoorstel.

Solidariteitsreserve/risicodelingsreserve: gelijk speelveld

De solidariteitsreserve is een verplicht collectief element van het solidaire contract, waaruit pensioenvermogens en -uitkeringen kunnen worden aangevuld en waarmee risico’s collectief kunnen worden gedeeld. Met het wetsvoorstel wordt dit nu ook mogelijk bij keuze voor een flexibel contract. “Wij vinden het fair dat nu ook bij de flexibele premieregeling een risicodelingsreserve gevoerd mag worden”, zegt Frank Driessen, CEO Aon Wealth. Echter, wij zien wel wat haken en ogen in deze combinatie. Bij het flexibele contract kunnen deelnemers individuele keuzes maken, welke mogelijk haaks staan op collectieve risicodeling. Een pensioenuitvoerder zal hier goed naar moeten kijken.

Ongelijkheid bij waardeoverdracht blijft in stand

Wel blijft er sprake van ongelijke behandeling bij individuele waardeoverdracht voor wat betreft de solidariteits-/risicodelingsreserve. Bij waardeoverdracht krijgt een deelnemer geen deel mee van de solidariteitsreserve, terwijl bij het invaren wel een deel van het kapitaal van een deelnemer aangewend kan worden voor de vorming van een solidariteitsreserve. Driessen: “Dit aspect zal meewegen voor sociale partners bij de keuze van het contract. Juist in sectoren waar veel van baan gewisseld wordt, ligt de vorming van een solidariteits-/risicodelingsreserve dan minder voor de hand.”

Eerder indexeren

Tijdens de persconferentie werd ook gesproken over de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) die het mogelijk moet maken vanaf 1 juli 2022 met terugwerkende kracht te indexeren. Dit wordt mogelijk voor fondsen die beogen in te varen in het nieuwe stelsel. De eisen met betrekking tot toekomstbestendig indexeren gelden dan niet en indexatie is mogelijk vanaf een dekkingsgraad van 105%. Wij begrijpen dat er fondsen zijn die staan te popelen om hier gebruik van te maken, zeker gegeven het feit dat er al vele jaren niet of nauwelijks geïndexeerd is. “Wij adviseren fondsen echter wel om hier zorgvuldig naar te kijken. Geld eenmaal uitgegeven is straks niet meer beschikbaar voor de transitie”, zegt Driessen hierover. Het besluit om direct te indexeren zodra dit wettelijk mag en past volgens de richtlijnen, is een lastige. Dit komt omdat korte en langetermijnbelangen elkaar beïnvloeden. Onze verwachting is dat de besturen tot een gebalanceerd besluit komen waarbij wordt overgegaan tot een beperkte vorm van indexatie.

Gevolgen voor verschillende groepen

Zoals meermalen tijdens de persconferentie werd benoemd, komen met het nieuwe stelsel indexaties, of beter geformuleerd: verhogingen, van het pensioen eerder in beeld. De keerzijde daarvan is dat het nieuwe pensioen ook risico’s kent. Voor gepensioneerden verwachten wij dat zij een plus zullen zien van de overgang naar het nieuwe stelsel. Deze wordt veroorzaakt door een drietal effecten, te weten het uitdelen/invaren van de buffers, het eerder verhogen en de overgang naar het projectierendement. Hoe groot deze plus zal zijn, is afhankelijk van de hoogte van de dekkingsgraad van een fonds en welk deel van de dekkingsgraad ook ingevaren wordt.

Voor de jongeren zien wij ook voordelen, zij zullen door het toepassen van het lifecycle- principe in beleggen naar verwachting meer beleggingsopbrengsten behalen en hebben baat bij de vlakke premie. De middengroep van 45-68-jarigen zal daarentegen gecompenseerd moeten worden voor de afschaffing van de doorsneepremie. Uit zogenoemde netto profijtberekeningen (een winnaar/verliezer-analyse) moet blijken hoe de diverse groepen uit de transitie komen en waar wat extra’s nodig is.

Inflatie

Ook komen zorgen over de oplopende en huidige hoge inflatie naar voren. Wij zien in het nieuwe stelsel meer mogelijkheden om inflatierisico’s af te dekken in vergelijking met het huidige stelsel. Nu kunnen inflatiecoupons, of andere rendementen vanuit inflatiebeschermende producten, niet worden aangewend om de pensioenen te verhogen; voor verhoging van de pensioenen is de dekkingsgraad bepalend. In het nieuwe stelsel kunnen rendementen meer 1-op-1 gebruikt worden voor verhoging van pensioenen, net als inflatiebeschermende producten. Vanuit die optiek is een snelle overgang naar het nieuwe stelsel gewenst.

Invaren

Voor het invaren blijven de twee methodes uit de eerdere stukken in tact, namelijk de standaardmethode en value based ALM. Wij juichen toe dat er ruimte komt om de uitkomsten bij toepassing van de standaardmethode aan te passen. Dit geldt echter wel alleen voor fondsen met een dekkingsgraad van 105% of lager. Driessen: ”Op die manier is er meer te kiezen en komt er voor fondsen een eenvoudige en uitlegbare methode beschikbaar, waarbij zij, indien dat zich voordoet, aanpassingen kunnen maken als er voor bepaalde deelnemersgroepen sterke achteruitgangen zijn.” Deze aanpassingen zijn aan voorwaarden gebonden. Er mag maximaal 5% worden afgezonderd. “Wij kunnen ons wel voorstellen dat fondsen met een hogere dekkingsgraad ook extra ruimte voor aanpassing wensen.”

Het invaren heeft tot doel om de bestaande pensioenaanspraken en de nieuw op te bouwen pensioenen bij elkaar te houden in één pensioenfonds. Invaren is daarmee alleen bedoeld voor pensioenfondsen. Binnen de flexibele premieregeling is het verplicht om deelnemers een keuze te bieden tussen een vaste en een variabele uitkering. Als er wordt ingevaren in een flexibele premieregeling heeft dit tot gevolg dat bestaande gepensioneerden ook de keuze krijgen of zij een vaste of een variabele uitkering willen. Hiervoor wordt een jaar uitgetrokken in het wetsvoorstel. “Al dit soort keuzes betekenen veel administratieve handelingen voor uitvoeringsadministraties”, zegt Driessen. “Het is daarom enorm belangrijk om de uitvoeringsadministratie hierbij tijdig te betrekken.”

Borging belangen bij invaren

Collectief invaren is het uitgangspunt; hierbij wordt voorbij gegaan aan het individueel bezwaarrecht. Echter, met het wetsvoorstel wordt, naast de eerdere maatregelen, nog meer gedaan om de positie van de deelnemers te versterken. Zo moeten pensioenuitvoerders een interne klachtenprocedure hebben of deze versterken. Daarnaast komt er een externe geschillencommissie. De definitieve vormgeving is hiervan nog niet bekend, maar gedacht moet worden aan een vergelijkbare opzet als bij het Kifid. Tot slot komt er een hoorrecht voor gepensioneerden en gewezen deelnemers. Met het versterkte adviesrecht van het verantwoordingsorgaan of bezwaarrecht bij een belanghebbendenorgaan, de introductie van de transitiecommissie en deze extra maatregelen wordt het nog belangrijker samen op te trekken met de verschillende organen van een fonds. Driessen: ”Betrek tijdig de medezeggenschap om te voorkomen dat tijdslijnen niet gehaald worden. Als er eenmaal een negatief advies is en externe commissies moeten advies geven, komt er een enorme druk op de toch al uitdagende tijdslijnen.” Zorg daarom dat je elkaar tijdig aanhaakt en informeert. Aan de andere kant wil je als fonds geen Poolse landdag. Het zal daarom af en toe balanceren zijn wie wel of niet betrokken wordt. Wij begrijpen de extra borging in het wetsvoorstel, maar maken ons wel zorgen of al deze extra maatregelen de voortgang van besluitvorming en implementatie niet in de weg zullen staan.

Gesloten fondsen en de voordelen van invaren

In het wetsvoorstel wordt het nu ook mogelijk voor gesloten fondsen om in te varen als de werkgever en sociale partners daarom verzoeken. “Wij zijn blij met deze mogelijkheid voor gesloten fondsen”, zegt Driessen. “Op die manier komen de voordelen van het nieuwe stelsel ook beschikbaar voor deelnemers van gesloten fondsen.” Dit geldt alleen als er nog een werkgever verbonden is aan het fonds; is dat niet het geval dan kan er niet ingevaren worden.

Beleggen tijdens de transitiefase

De regering biedt pensioenfondsen de mogelijkheid om tijdens de transitiefase het beleggingsbeleid aan te passen in de richting van het beleggingsbeleid dat in het nieuwe stelsel van toepassing zal zijn. Het collectieve beleggingsrisico mag verhoogd worden. Voorwaarde hiervoor is dat de risicohouding is vastgesteld. “Deze verruiming biedt fondsen meer flexibiliteit waardoor zij zich meer op de lange termijn beleggingshorizon kunnen richten. Wij vinden het goed dat er wel geëist is dat de risicohouding is vastgesteld”, aldus Driessen. Het is van belang dat het beleggingsbeleid aansluit bij de risicohouding van de deelnemers. Zij moeten niet aan meer beleggingsrisico worden blootgesteld dan dat zij zelf wensen te lopen. Wij adviseren pensioenfondsen dan ook om nu als een van de eerste stappen de risicohouding van de deelnemers vast te stellen.

Communicatie blijft de grote uitdaging

Ook tijdens de persconferentie bleek het belang van de uitlegbaarheid van het stelsel. Het nieuwe stelsel beoogt meer transparantie. Toch bevat het veel complexe begrippen. Driessen hierover: “Wij pleiten voor goede communicatie en begeleiding van de deelnemers naar overgang naar het nieuwe systeem. In dit nieuwe systeem worden de risico’s voor de deelnemers groter en het is belangrijk dat zij goed begrijpen welke risico’s zij lopen en wat de gevolgen zijn voor hun pensioenuitkering.”

Daarnaast moet helder worden hoe de bestaande rechten worden ingevaren en wat dat voor de deelnemers betekent. De pensioenuitvoerders moeten individuele deelnemers informeren over hun pensioen voor en hun aanspraak op een persoonlijk vermogen na de transitie. “Juist laten zien wat deelnemers voor en na de transitie aan euro’s pensioen kunnen verwachten kan helpen voor het draagvlak”, aldus Driessen. Daarnaast moeten pensioenuitvoerders deelnemers goed begeleiden bij keuzes die zij kunnen maken.

Grensoverschrijdende pensioenuitvoering

In de consultatie is aandacht gevraagd voor de gevolgen van dit wetsvoorstel voor grensoverschrijdende pensioenuitvoering. Het gaat dan bijvoorbeeld om Nederlandse werkgevers die hun pensioenregeling bij een pensioenfonds in België hebben ondergebracht. Op deze pensioenregelingen is de sociale en arbeidswetgeving van Nederland van toepassing en het prudentiële kader van België. In de toelichting bij het wetsvoorstel is nu kort aangegeven dat artikelen die in het kader van de transitie met dit wetsvoorstel worden geïntroduceerd niet tot het Nederlandse sociale en arbeidsrecht behoren. De artikelen die betrekking hebben op de vormgeving van de solidaire premieregeling of de flexibele premieregeling behoren wel tot het Nederlandse sociale en arbeidsrecht. “Dat lijkt in de praktijk dus te betekenen dat de overgang naar een nieuwe regeling in België via de al bestaande regels dient te worden vormgegeven en niet via de nieuwe transitieregels. Dat betekent bijvoorbeeld dat ‘invaren’ niet zonder instemming van de deelnemers kan geschieden, maar dat het reguliere recht van bezwaar daarvoor overeind blijft” , aldus Frank Driessen.

Regelingen bij een verzekeraar of PPI

Voor werkgevers met een verzekerde regeling wijzigt er niet veel ten opzichte van de eerdere consultatiestukken. De ingezette lijn wordt doorgezet, waarbij op sommige onderdelen verduidelijkingen zijn gekomen. Voor veel zaken wordt verwezen naar lagere regelgeving die nog niet bekend is. Naar verwachting zal dit op zijn vroegst tegen het einde van het jaar duidelijk worden.

Doel blijft dat de wetgeving per 1 januari 2023 ingaat. Per die datum dienen alle nieuwe pensioenregelingen een beschikbare premieregeling te zijn met een gelijk premiepercentage bij elke leeftijd. De maximale premie is 30% (exclusief 3 % compensatie).

Eerbiedigende werking

Voor per 31 december 2022 bestaande pensioenregelingen bij een verzekeraar of PPI met een progressieve premie geldt het volgende overgangsrecht:

  • middelloon- of eindloonregelingen mogen tot 1 januari 2027 worden omgezet naar een premieregeling met een progressieve staffel;
  • premieregelingen met een progressieve staffel mogen ook na 2027 voortgezet worden.

Dit overgangsrecht geldt alleen voor de bestaande deelnemers op het moment van overgang naar het nieuwe stelsel. Voor nieuwe deelnemers geldt vanaf dat moment de leeftijdsonafhankelijke premie.

Opgebouwde rechten worden bij verzekerde pensioenregelingen premievrij achtergelaten en niet ingevaren.

Geen eerbiedigende werking voor een uitkeringsovereenkomst bij een Algemeen pensioenfonds/Ondernemingspensioenfonds/Beroeps- en bedrijfstakpensioenfonds
Belangrijk is dat de mogelijkheid om een middelloonregeling om te zetten naar een premieregeling met progressieve staffel niet geldt voor pensioenregelingen die zijn ondergebracht bij een pensioenfonds. Als hier een omzetting naar een progressieve staffel gewenst is, zal dit voor 1 januari 2023 moeten plaatsvinden. Hier zit dus urgentie.

Compensatie

Afspraken over compensatie worden een verplicht onderdeel in het transitieproces en moeten altijd schriftelijk worden vastgelegd. Verduidelijkt is dat de compensatie in de pensioensfeer tijdsevenredig dient te worden toegekend en zowel voor bestaande als voor nieuwe deelnemers van toepassing is. Bij uitdiensttreding mag de compensatie vervallen.

Nabestaandenpensioen

De voorgenomen wijzigingen voor het nabestaandenpensioen blijven op hoofdlijnen staan. De aanpassing van het nabestaandenpensioen naar een percentage van maximaal 50% van het salaris blijft overeind en zal grote verschillen in dekking voor werknemer en premielast voor werkgever geven. Maatwerk wordt beoogd maar vraagt nader onderzoek en dus tijd. Zonder maatwerk verwachten wij een aanzienlijke stijging van de premies voor het nabestaandenpensioen. Een ANW-hiaatverzekering blijft mogelijk.

Wijziging partnerdefinitie

Uit eerdere consultatie bleek dat het lastig is om het partnerbegrip eenvoudig en sluitend te formuleren. In de voorgestelde wetgeving zijn nu verschillende opties mogelijk die per uitvoerder weer kunnen verschillen.

Er kan gebruik worden gemaakt van een samenlevingsverklaring vooraf, maar de uitvoerder kan ook kiezen voor een verklaring achteraf. Dat vergroot de beoogde uniformiteit en eenvoud niet en kan leiden tot veel discussie na een overlijden om achteraf vast stellen of men nu wel of niet als partner wordt beschouwd.

Onze afdronk over het wetsvoorstel: rol sociale partners wordt nog groter

Na bestudering van de stukken zien wij een nog grotere rol voor de sociale partners in de vergelijking met de consultatiestukken. Driessen hierover: “Dit betekent ook een grote verantwoordelijkheid. Waar het voor pensioenfondsbestuurders dagelijkse kost is, zal dit voor de sociale partners betekenen dat zij echt voldoende tijd moeten vrijmaken om deze transitie vorm te geven.” Verder valt ons op dat er relatief weinig aandacht is voor de verzekerde regeling. Opvallend is een verschil in de tijdslijnen. Waar bij de pensioenfondsen op 1 januari 2025 de arbeidsvoorwaardelijke afspraken rond moeten zijn, is dat bij de verzekerde regelingen pas op 1 oktober 2026.

 

Via bijgaande links komt u terecht bij de pdf-documenten van het wetsvoorstel, de Memorie van Toelichting en een nader rapport over het wetsvoorstel.