Netherlands

Huisaansluitingen

 

Wijzigingen in kabels/leidingen na de graafmelding

Bij het voornemen tot graafwerkzaamheden, moet de grondroerder op grond van artikel 8 lid 1 WIBON hiervan ten hoogste 20 werkdagen (vier weken) voor aanvang van de graafwerkzaamheden melding doen bij het Kadaster (een graafmelding). De grondroerder geeft bij de melding het gebied op waar de graafwerkzaamheden plaats moeten gaan vinden. Binnen een werkdag na verzending van dit graafbericht moet de netbeheerder de liggingsgegevens en relevante eigenschappen van zijn net binnen het betreffende graafgebied verstrekken. Hiermee wordt de theoretische ligging van alle netten kenbaar gemaakt, behalve netten die een verbinding vormen tussen een net en een onroerende zaak (zogenaamde huisaansluitingen).

 

Huisaansluitingen vallen (voorlopig) niet onder WIBON

De WIBON is niet voor alle kabel- en leidingschaden van toepassing. De huisaansluitingen worden voorlopig nog niet beheerst door de bepalingen in de WIBON. Bij de behandeling van het voorstel voor de WIBON in de Eerste Kamer bleken twijfels te bestaan over de vraag of de verplichting om te zijner tijd ook over huisaansluitingen gegevens uit te wisselen proportioneel is met de bestaande problematiek van graafschaden. Huisaansluitingen zijn dunnere kabels. Dit houdt in dat deze ook goedkoper zijn (het repareren van een huisaansluiting vergt aanzienlijk minder tijd dan een kabel welke een hele stad voorziet van stroom). Tot op heden vallen huisaansluitingen niet onder de WIBON. De netbeheerders zijn op grond van artikel 45 WIBON uitgesloten van de verplichting om ook voor de huisaansluitingen de correcte ligging gegevens te verstrekken.

 

Wanneer is er sprake van een huisaansluiting?

Huisaansluitingen zijn de kabels en leidingen die de huishoudens voorzien van gas, water, elektriciteit en data (internet en telefoon). Volgens de memorie van toelichting is het vereiste dat er sprake moet zijn van een verbinding met één onroerende zaak in de zin van de Wet waardering onroerende zaken. De huisaansluiting is volgens dit kamerstuk de laatste vertakking van een kabel.

Voor huisaansluitingen gelden de verplichtingen vanuit de WIBON dus niet. Uiteraard mag in de buurt van huisaansluitingen niet zomaar gegraven worden. Voor dit onderwerp zijn de regels van vóór invoering van de WIBON van toepassing.

 

De Onderzoeksplicht

Als algemeen uitgangspunt geldt dat een aannemer alleen dan onderzoek naar kabels en leidingen hoeft in te stellen als hij op de mogelijke aanwezigheid daarvan bedacht had moeten zijn. (1)

In dit verband heeft het Hof ‘s-Gravenhage op 20 februari 1996 (2) geoordeeld dat er op de aannemer geen onderzoeksplicht rust ten aanzien van de aanwezigheid van kabels als er (door de opdrachtgever) niet op is gewezen dat ter plaatse kabels liggen. Mocht de aannemer bedacht zijn van de aanwezigheid van kabels en leidingen, dan moet de aannemer een graafmelding doen. In principe mag de aannemer uitgaan van de informatie die hij verkrijgt door middel van de graafmelding (3). Staat de kabel die beschadigd is niet of onjuist op tekening, dan kan de aannemer niet aansprakelijk worden gehouden voor de schade. De aannemer mag vertrouwen op de gegevens van het KLIC. Maar als de aannemer wist of behoorde te weten dat de kabel of leiding een afwijking zou kunnen hebben of als de kabel niet wordt gevonden, dan moet de aannemer contact opnemen met de netbeheerder (4).

De meeste netbeheerders geven bij het verstrekken van de tekeningen al aan dat de werkelijke ligging af kan wijken van de theoretische ligging. In dit geval heeft een beroep op een afwijkende ligging of onjuiste gegevens geen kans van slagen. De juistheid is namelijk uitgesloten (5). Alhoewel het doen van een graafmelding voor huisaansluitingen bij graafwerkzaamheden niet verplicht is, is het niet voldoende om alleen uit te gaan van informatie van de grondeigenaar.

Het Gerechtshof Amsterdam heeft op 1 september 2005 (6) geoordeeld dat de aannemer in principe een graafmelding moet doen om aan de onderzoeksplicht te voldoen. In deze uitspraak is ook bepaald dat een kabel een afwijking van een paar meter (horizontaal) verschil mag hebben ten opzichte van de tekening.

 

Aansluitschetsen

Tegenwoordig kan het opvragen van aansluitschetsen gepaard gaan met de – op grond van de WIBON – verplichte graafmelding. Men moet apart aangeven dat ook de aansluitschetsen van diverse woningen meegestuurd moeten worden.

Let op: de aansluitschetsen worden niet automatisch met de graafmelding meegestuurd. Dit moet de aanvrager apart selecteren. Wel moet de netbeheerder de gegevens die hij ter beschikking heeft, beschikbaar stellen. De aannemer ontvangt vervolgens de aparte aansluitschetsen om zich zo een beeld te kunnen vormen van de aanwezigheid van de kabels en leidingen.

Het maken van een voorbehoud inzake eventuele horizontale afwijkingen is voor het overgrote deel van de kabels en leidingen niet toegestaan. Op grond van de WIBON moet de netbeheerder zijn tekeningen aanleveren met een nauwkeurigheid van 1 meter. Kortom: de horizontale afwijking van een kabel mag in principe niet meer bedragen dan 1 meter. Voor huisaansluitingen ligt dit anders nu de verplichtingen voortvloeiend uit de WIBON voor de huisaansluitingen zijn uitgesloten.

Zorg voor aanvang van de werkzaamheden dat alle benodigde informatie door het Kadaster is ontvangen. Hou bij huisaansluitingen rekening met zowel horizontale als verticale afwijkingen.



Vragen?

 

Heeft u vragen of behoefte aan advies? Raadpleeg dan onze website of neem contact met ons op.


Bronnen

M. Eijkelenboom & N.A. Steenbrinkdrop, in: Bouwrecht, Kabel- en leidingschade bezien vanuit het oogpunt van de aannemers, september 2006, nr. 174, p. 812-820 Hof ’s-Gravenhage 20 februari 1996, BR 1996, p. 49 Ktr. Rotterdam 18 november 2003, zaaknr. 480926 Rb. ’s-Gravenhage 23 juni 2004, rolnr. 326468/03-4798
(1) M Eijkelenboom & N.A. Steenbrinkdrop, in: Bouwrecht, Kabel- en leidingschade bezien vanuit het oogpunt van de aannemers, september 2006, nr. 174, p. 812-820
(2) Hof ’s-Gravenhage 20 februari 1996, BR 1996, p. 49
(3) Ktr. Rotterdam 18 november 2003, zaaknr. 480926
(4) Rb. ’s-Gravenhage 23 juni 2004, rolnr. 326468/03-4798
(5) Rb. Assen 30 mei 2002, rolnr. 93461/01-1652
(6) Hof Amsterdam 1 september 2005, NJF 2006, 52